Als een Nederlandse werknemer in het buitenland woont, moet zijn werkgever bij een juridisch geschil naar de rechter te stappen van het land waar de werknemer woont, zo blijkt uit een uitspraak van de kantonrechter Utrecht op 7 augustus 2009. Een werknemer was in 1998 in dienst getreden bij Trendhopper in Leusden. In de arbeidsovereenkomst was het Nederlandse recht van toepassing verklaard. Sinds april 2009 was de werknemer arbeidsongeschikt. Trendhopper vroeg daarop ontbinding van de arbeidsovereenkomst op een zo kort mogelijke termijn.
Het verzoek werd gedaan voor de kantonrechter te Utrecht. De reden van het verzoek was volgens Trendhopper een bedrijfseconomische noodzaak tot bezuinigingen, waardoor de arbeidsplaats van de werknemer was komen te vervallen. De werknemer voerde het verweer dat de kantonrechter in Utrecht onbevoegd was, op grond van de EEX-verordening nr. 44/2001, artikel 20 lid 1. De kantonrechter moest eerst nagaan of hij bevoegd was om zich over de zaak te buigen. De bevoegdheid van de Nederlandse rechter werd beoordeeld op basis van de artikelen 18-21 van de EEX-Verordening betreffende de rechtelijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken.
Op grond van die verordening kan een werkgever een werknemer slechts oproepen voor het gerecht van de lidstaat op het grondgebied, waarvan de werknemer zijn woonplaats heeft. Aangezien de werknemer zijn woonplaats in België had, was niet de Nederlandse maar de Belgische bevoegd om zich over de zaak te buigen. De rechter verklaarde zich dus onbevoegd. (bron: www.arbeidsrecht.nl)
hits=1= / id=1651=