Mensen die niet in Nederland wonen, maar wel inkomen uit Nederland ontvangen (buitenlands belastingplichtigen) kunnen er voor kiezen fiscaal behandeld te worden alsof ze in Nederland wonen (keuze voor de fictieve binnenlandse belastingplicht). Een dergelijke keuze kan voordelig zijn, omdat buitenlands belastingplichtigen op die manier aanspraak kunnen maken op bepaalde voordelen, waar een buitenlands belastingplichtige geen recht op heeft. Het bekendste voorbeeld is de aftrek van hypotheekrente. Een dergelijke keuze kan echter ook nadelen met zich meebrengen. Dit roept vragen op in de trant van:
is het terecht dat buitenlands belastingplichtigen geen aanspraak kunnen maken op bepaalde voordelen, zonder te kiezen voor de fictieve binnenlandse belastingplicht?
leidt de fictieve binnenlandse belastingplicht tot ongerechtvaardigde discriminatie?
Inmiddels zijn hier al er diverse procedures gevoerd en de vraag is of de keuzeregeling van de fictieve binnenlandse belastingplicht stand blijven houden zo ja, hoe lang nog. Ook aan het Europese Hof van Justitie zijn hierover vragen voorgelegd. Een van deze procedures zag op de heer Gielen, een Duitse ondernemer die in aanmerking wilde komen voor de Nederlandse zelfstandigenaftrek. Hiervoor dient iemand tenminste 1.225 uren aan zijn onderneming te besteden. Volgens de Nederlandse belastingdienst dienen die 1.225 uren in Nederland gemaakt te worden en niet de uren in Duitsland en kan hij alsnog voor de zelfstandigenaftrek in aanmerking komen door te kiezen voor de fictieve binnenlandse belastingplicht. Het Europese Hof van Justitie heeft echter bepaald dat de Nederlandse regeling discriminerend werkt en dat de mogelijkheid van de keuzeregeling hier niet aan afdoet. De vraag die openbleef was hoe de berekening van de zelfstandigenaftrek exact moest plaatsvinden, waarover Hof ’s-Hertogenbosch zich heeft gebogen. Volgens de Advocaat-Generaal is deze berekening juist en mag de heer Gielen de gehele zelfstandigenaftrek aan zijn Nederlandse winst toerekenen.
hits=0= / id=1707=