Voor de heffing van Nederlandse vennootschapsbelasting kunnen twee (of meer) vennootschappen behandeld worden alsof ze één belastingplichtige zijn, ofwel de figuur van de fiscale eenheid. Een van de voordelen hiervan is dat verliezen van de ene vennootschap en winsten van de andere vennootschap met elkaar verrekend kunnen worden. Daarnaast zijn onderlinge transacties fiscaal neutraal. Sinds 1 januari 2003 kan een dergelijke fiscale eenheid alleen gevormd worden door in Nederland gevestigde vennootschappen en buitenlandse vennootschappen met een filiaal (vaste inrichting) in Nederland.
Buitenlandse vennootschappen zonder zo’n filiaal kunnen dus geen deel uitmaken van een vaste inrichting. De vraag was echter of deze voorwaarde in strijd was met het EU-recht, in het bijzonder met het recht op vrije vestiging. Deze zaak was eerder al voorgelegd aan het Europese Hof van Justitie voor een Nederlandse moedermaatschappij en haar in België gevestigde dochtervennootschap, zonder filiaal in Nederland. Het Europese hof van Justitie had daarbij geoordeeld dat de zienswijze van de belastingdienst de juiste was en dat een dergelijke fiscale eenheid niet mogelijk was. De Hoge Raad moest dit oordeel echter nog bevestigen en heeft dat nu gedaan.
hits=0= / id=1776=