Onlangs heeft de Rulingdienst zich voor de eerste maal uitgesproken over een verblijvingsbeding/keuzebeding onder last. De techniek is vergelijkbaar met de Nederlandse wettelijke verdeling. Een verblijvingsbeding onder last biedt de langstlevende echtgenoot de mogelijkheid om het gemeenschappelijk vermogen in volle eigendom te behouden, onder last om een bedrag uit te betalen aan de nalatenschap van de eerstoverledene. Dat bedrag is gelijk aan de waarde van de nettohelft van het gemeenschappelijk vermogen. Er ontstaat dus een schuld, in het voordeel van de erfgenamen van de eerstoverledene, die meestal zonder interest wordt bedongen. De langstlevende echtgenoot kiest vrij wanneer hij of zij deze schuld aflost. Dit is fiscaal interessant, want door de schuld niet af te lossen, staat deze nog open op het ogenblik dat de langstlevende echtgenoot overlijdt. Er ontstaat dan een passiefpost in de nalatenschap van de langstlevende echtgenoot, die in aftrek kan worden gebracht van het actief van diens nalatenschap.
Deze clausule drukt de successierechten op de erfenis van de langstlevende. Daarnaast zijn er ook belangrijke civielrechtelijke motieven voor het invoegen dergelijke clausule, zoals het verstrekken van maximaal comfort aan de langstlevende. Daarom vormt de clausule een populair alternatief voor het gewone verblijvingsbeding (langst leeft al) dat fiscaal zeer duur uitvalt.
Op 4 februari 2013 heeft de Rulingdienst de clausule beoordeeld in het licht van de algemene antimisbruikbepaling (in werking sinds 1 juni 2012). Vooreerst stoort de Rulingdienst zich aan de niet-opeisbaarheid van de schuld bij leven van de langstlevende. Omdat de erfgenamen van beide echtgenoten dezelfde zijn, zal de schuld volgens de Rulingdienst uitdoven door vermenging op het moment dat zij opeisbaar wordt. De schuld zou daardoor een kunstmatig karakter vertonen. Daarnaast stelt de Rulingdienst dat de verkrijging door de langstlevende volgt uit het huwelijkscontract en niet uit het overlijden van de eerste echtgenoot. De Rulingdienst meent dan – vreemd genoeg – dat de schuld niet behoort tot het vermogen van de eerstoverledene op het tijdstip van zijn overlijden en dat deze dus niet kan worden opgenomen in het actief van zijn nalatenschap.
Beide elementen doen de Rulingdienst besluiten dat de clausule artikel 5 W. Succ. frustreert en dat er geen andere motieven bestaan dan de wens om successierechten te vermijden. Hoewel de Rulingdienst o.i. een betwistbaar standpunt inneemt, kan men wellicht mogelijke discussies met de fiscus verwachten, voor zover de clausule in het huwelijkscontract is opgenomen na 1 juni 2012. Tot voor kort leek er geen discussie te bestaan over deze clausule. Bemerk overigens dat de clausule niet is opgenomen op de zgn. ‘black list’ van de fiscus.
hits=1962= / id=3351=