Meer dan 200.000 Nederlandstaligen hebben deze week deelgenomen aan de taaltest Hoe Vlaams is uw Nederlands? van De Standaard, Radio 1 en de Taalunie. Die bevatte twintig zinnen, waarvan vijftien met Vlaamse eigenaardigheden die taaladviseurs niet tot de standaardtaal rekenen. De gemiddelde deelnemer zou een kleine 60 procent van die Vlaamse eigenaardigheden zonder meer zelf in de mond nemen of schrijven.
Aan de test namen ook 9.000 Nederlanders deel. Interessant is dat die toch een kwart van de ‘Vlaamse’ zinnen zelf zouden kunnen gebruiken. Dat Nederlanders grote moeite hebben met het Belgisch-Nederlands, moet dus worden genuanceerd.
Strenge Limburgers
Vlamingen zijn te herkennen aan hun eigen woorden en uitdrukkingen, maar ook aan zinsconstructies die afwijken van de Nederlandse. Dat geldt vooral voor Oost-Vlamingen, Antwerpenaren en Vlaams-Brabanders. West-Vlamingen en vooral Limburgers staan minder afwijkingen in woordenschat en grammatica toe dan de andere Vlamingen. De kwesties die werden voorgelegd, worden al tientallen jaren behandeld op school en sommige zijn tophits uit de taaladvisering. De zegswijze op zijn honger blijven zitten (niet voldaan zijn) is een gallicisme of leenvertaling uit het Frans, maar wordt door de grote meerderheid van de deelnemers spontaan gebruikt. Hetzelfde geldt voor gekwetst zijn (gewond), iets verkopen ‘aan’een zekere prijs (voor) en er niet aan kunnen (niet bij kunnen).
De zinnen die het minst bijval kregen, waren die met de Vlaamse zegswijze toen kwam de kat op de koord (nu hebben we de poppen aan het dansen), met telkens ik achterom keek (telkens als) en die met de verstoorde volgorde van werkwoorden: iets kunnen in gang zetten (iets in gang kunnen zetten). Mannen (58%) zijn iets toegeeflijker voor Vlaamse woorden en uitdrukkingen dan vrouwen (56%). De oudste en de jongste deelnemers zijn het strengst, maar de verschillen met de andere leeftijden zijn niet groot.
De groep van professionele taalgebruikers die in de voorbije maanden door Johan De Schryver van de KU Leuven al eens werd getest (DS 3 november), toont zich in de publieksversie op de website van De Standaard het strengst. Dat zijn ook de beroepen die worden afgerekend op hun taalgebruik. Afgetekend aan de leiding: media en journalistiek (46 %), gevolgd door onderwijs (53 %). Na deze taalprofessionals komen de studenten en overheidswerkers, handel en economie. In dienstverlenende en technische beroepen, en onder ICT’ers, wordt het lost omgegaan met standaardtaal.
www.standaard.be
hits=550=