Hof ’s-Hertogenbosch, 30 maart 2018
Bij een aandelenbelang in een vennootschap van 5% of meer, wordt de aandeelhouder belast in box 2 tegen (nu nog) 25% op zijn inkomen. Dit inkomen kan bestaan uit dividenden of uit andere voordelen, bijvoorbeeld een verkoop van de aandelen.
Bij een verkoop van de aandelen wordt belasting geheven over het verschil tussen de verkoopprijs en de verkrijgingsprijs. De verkrijgingsprijs is in principe de waarde van de aandelen bij de verwerving daarvan. Hoe hoger de verkrijgingsprijs wordt vastgesteld, hoe lager de winst bij verkoop.
De verkrijgingsprijs moet ook worden vastgesteld op het moment dat iemand in Nederland komt wonen. Daarbij wordt aangesloten bij de waarde op het moment dat hij in Nederland komt wonen. Hij wordt namelijk pas vanaf dat moment belastingplichtig en met de waardevermeerderingen tot het moment van immigratie heeft Nederland in principe niets te maken. Hij krijgt een step-up. Hierdoor kunnen bijvoorbeeld Belgen met aandelen in een Belgische vennootschap in Nederland komen wonen met een hoge verkrijgingsprijs. Bij een latere verkoop van die aandelen kan de belastingheffing over de verkoopwinst dan heel beperkt blijven.
Dit alles is dan weer anders als iemand in Nederland komt wonen die aandelen heeft in een in Nederland gevestigde vennootschap. In dat geval geeft Nederland geen step-up, omdat Nederland altijd een heffingsrecht voorbehoud op in Nederland gevestigde vennootschappen.
In deze zaak ging het om een soortgelijke situatie: A woont in Nederland en is vanaf 2003 enig aandeelhouder van een Nederlandse vennootschap. Bij oprichting is de verkrijgingsprijs € 18.600.
Per 2009 verhuist hij naar België. Op dat moment zijn de aandelen € 148.908 waard. Een emigratie is naar Nederlandse normen een fictieve verkoop waarover belasting wordt geheven. Hiervoor wordt vervolgens uitstel verleend door middel van een conserverende aanslag. In deze zaak is echter wel verhuisd, maar geen conserverende aanslag opgelegd.
In juni 2015 is A van plan terug te verhuizen naar Nederland. Vanwege verdere waardestijgingen vraagt hij de inspecteur de verkrijgingsprijs vast te stellen op € 547.178. De inspecteur weigert deze verklaring af te geven en voor het Hof krijgt de inspecteur daarin gelijk. De remigratie was namelijk nog niet gebeurd, en pas na remigratie kan worden gevraagd om een beschikking over de verkrijgingsprijs. De inspecteur hoefde niet tegemoet te komen aan een verzoek om een beschikking over een hypothetische situatie.
Feitelijk had A zekerheid willen hebben over de vraag of hij een verhoging van de verkrijgingsprijs bij terugkeer naar Nederland zou ontvangen. Hij moet deze vraag nu nog een keer stellen na zijn emigratie. De huidige ontwikkeling in de rechtspraak wijst er echter op dat een verhoging van de verkrijgingsprijs in een situatie als deze niet zal worden toegekend.