Rechtbank Noord-Holland, 26 juni 2020
Tot een paar jaar geleden was het niet heel ingewikkeld: als een reguliere Nederlandse BV dividend uitkeerde aan haar Belgische reguliere moedermaatschappij, dan kon dat vanuit Nederland zonder inhouding van dividendbelasting. En omgekeerd, als een Belgische dochter dividend uitkeerde aan de Nederlandse moeder dan kon dat onbelast onder de deelnemingsvrijstelling in Nederland.
In 2018 is er echter misbruikwetgeving ingevoerd. Deze wetgeving is daarna nog eens gewijzigd, en is zo ingericht dat de vrijstelling al snel geweigerd kan worden. De vraag die vooral naar voren komt is of de misbruikregeling haar doel niet voorbijgaat en ook de vrijstelling weigert in situaties die eigenlijk legitiem zouden zijn.
Deze twee zaken zijn de eerste waarin door de rechter over de nieuwe misbruikregeling moet worden geoordeeld. Het ging hierbij om de dividendbelasting bij een uitkering vanuit Nederland naar België.
Onder de misbruikregeling geeft de rechter eerst een oordeel of er meer dividendbelasting verschuldigd zou zijn, als de Belgische holdingvennootschap(pen) er niet zou(den) zijn. Dat is hier het geval: bij een uitkering aan een privéaandeelhouder in België is 15% Nederlandse dividendbelasting verschuldigd. Door het tussenschuiven van een Belgische vennootschap wordt dit 0% (of niet meer dan 5% onder het Belastingverdrag in deelnemingssituaties). In dat geval geldt het feit dat er een Belgische holding is, al als misbruik.
Vervolgens moet worden beoordeeld of er sprake is van een kunstmatige constructie. En hierin lopen de twee zaken uit elkaar. In de eerste zaak had de Belgische holdingvennootschap verder geen onderneming en alleen twee oldtimers. Ook was er geen kantoorruimte en was er geen personeel in dienst. Bij gebrek aan economische functies werd de structuur als kunstmatig gezien en bleef de betaalde dividendbelasting in stand.
In de andere zaak had de holdingvennootschap deelnemingen in 17 vennootschappen met daarop een sturende invloed, er was de beschikking over kantoorruimte en er waren significante administratieve kosten en managementvergoedingen. Die omstandigheden met het feit dat de structuur al sinds 1991 bestond, bracht de Rechtbank tot de conclusie dat er hier geen sprake was van een kunstmatige structuur. Hier mocht de inhoudingsvrijstelling voor de dividendbelasting wel worden toegepast.
De voorlopige conclusie is dat de misbruikregeling voor nieuwe onzekerheid zorgt. De voorliggende feiten en de weging daarvan door de rechter zullen gaan bepalen of er wel of niet dividendbelasting ingehouden moet worden. Gezien de wetgeving en deze uitspraak zal het voor eenvoudige DGA’s (met een ondernemings-BV en daarboven een topholding) lastig worden om aan te tonen dat er geen sprake is van een kunstmatige situatie. En daaromtrent stellen wij (nogmaals) de vraag of dat die situatie nu wel echt een misbruiksituatie is. Wij verwachten dat er nog vele zaken zullen volgen over dit onderwerp.